De opeising van het Staatszeewezen (Marine de l’Etat) in mei 1940

Het Belgische leger tijdens de 18-daagse veldtocht.

Moderators: Exjager, piot1940, Bram1940

Plaats reactie
Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1803
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

De opeising van het Staatszeewezen (Marine de l’Etat) in mei 1940

Bericht door Bram1940 » 18 jul 2021 22:08

Beste allen,

Hieronder zal ik trachten een overzicht te geven van de schepen en boten van het Staatszeewezen, en meer in het bijzonder van de maalboten, die opgeëist werden, samen met de boten van de zeevisserij in mei 1940. Hetoverzicht is verre van volledig. Verbeteringen en aanvullingen worden in dank aanvaard.

Bij de Wet van 11 april 1862 werd de Koninklijke Marine ontbonden en de Staatsmarine opgericht. Het staatsbedrijf had als opdrachten, de uitbating van de maalboot- (of paketboot)diensten (service paquebots), de visserijwacht, de staatsscheepsbouw (génie maritime) de loodsdienst (service pilotage) en loodswezen (pilotage), de overzetdienst (passage d’eau) op de Scheldewateren, de reddingdienst uitkijk aan het Oostendse Oosterstaketsel (sauvetage vigie à l’Estacade Est à Ostende), de Rijksmarineschool (Ecole de Marine de l’Etat), de Zeevaatschool (Ecole de navigation), de Zeepolitie (commissariat maritime) hydrografie van de kust- en de Scheldewateren. Vanaf 1900 kreeg het staatsbedrijf officieel de naam van Staatszeewezen. In 1929 kwam het onder de bevoegdheid van het Bestuur van het Zeewezen (maar tot na 1945 bleef men de dienst de Staatsmarine noemen) bij het Ministerie van Verkeerswezen.

In 1947 zal de visserijwacht, van 1920 tot 1940 met de MS Zinnia (de in 1915 gebouwde voormalige Britse mijnenveger, onderzeebootjager en konvooibegeleidingsvaartuig HMS Zinnia), terug overgenomen worden door de Zeemacht. In mei 1940 werd de MS Zinnia overgedragen aan het Marinekorps nadat de bemanning was overgestapt naar de pakketboten. Tussen 1929 en 1938 werd de Zinnia (in 1940 onder het bevel van Commandant R. Bly) bijgestaan door de ex-torpedoboten Wielingen (ex-A.43) en de Westdiep (ex-A.20) van de Staatsmarineschool.

Begin 1940 beschikte de Staatsmarine over acht maalboten – s/s Princesse Marie-José (1923; John Cockerill; Cdt R. Verbiest), s/s Prinses Astrid (1930; John Cockerill; +/- 218 passagiers en 55 bemanningsleden; Cdt Georges Timmermans), s/s Prince Charles (1930; John Cockerill; Cdt F. Van Gool), s/s Prince Léopold (1930; Cdt C. Roets), s/s Prinses Joséphine-Charlotte (1931; John Cockerill; Cdt F. Aspeslagh), m/s Prince Baudouin (1933; John Cockerill; Cdt F. Minne), m/s Prins Albert (1937; Cdt A. Kesteloot), m/s Prince Philippe (1939; John Cockerill; Cdt R. Van Hulle) - één carferry s/s London-Istanbul ex-Ville de Liège (1913 omgebouwd in 1936; John Cockerill; 60 à 70 auto’s, 150 cabines eerste klas en 50 slaapkamertjes voor chauffeurs; Cdt Charles Tanghe), het schoolschip Mercator, het visserijwachtschip Zinnia, acht dienstschepen - Westdiep, Wielingen, zeilschip Stroombank, motorjacht Zeevlieg I, Victoire, het hydrografische schip Paster Pype, de motorjachten R1 en R2 - veertien loodsboten, drie sleepboten - Sleepboot nr 5, Zeeleeuw en Zeehond - drie lichtschepen en de s/s Adm. Gén. Arnold in Congo. De vloot was de afgelopen tien jaar grondig gerenoveerd en de drie meest recente motorschepen behoorden tot de snelste veerboten ter wereld.

Net zoals het Detachement Torpedisten en Zeelieden in 1927 enkele overgebleven vaartuigen afstond aan het Zeewezen, zal het Zeewezen op haar beurt in 1940 enkele van haar vaartuigen afstaan aan het pas heropgerichte Marinekorps (o.a. de Brabo I en de Tolwacht kwamen over van de Staatsmarine). Vanaf december 1938 zal het Bestuur van het Zeewezen ook samenwerken met de krijgsmacht om lijsten aan te leggen van zeelieden met twaalf maanden lange omvaart op de teller die hun militaire dienst deden of gedaan hadden. In december 1939 wordt de patrouilleboot Police de la Rade III overgedragen aan het 3e Smaldeel van het Marinekorps. Eind januari 1940 staat het Bestuur van het Zeewezen de twee oude loodsboten A4 en A6 en de snelboot C4 af aan het 1e Smaldeel van het Marinekorps. In mei 1940 neemt het 1e Smaldeel de twee kleine snelboten R1 en R2 over van het Bestuur van het Zeewezen. In Antwerpen neemt het 3e Smaldeel van het Marinekorps de loodstender Brabo en het douanevaartuig Tolwacht over van het Bestuur der Zeewezen.

In 1939 wordt de haven van Dover door de Britten afgesloten voor passagiersvervoer. Alle maalboten vanuit de havens van o.a. Oostende en Calais moeten aanmeren in de haven van Folkestone.

Tot 15 mei blijven de schepen in Oostende aangemeerd. Op de Prince Charles en de Prince Léopold zitten telkens meer dan 2.000 vluchtelingen opeengepakt. De afvaart wordt uitgesteld omdat de loodsdienst vreest dat er mijnen liggen voor de haven. Bovendien zijn de pakketboten niet gedemagnetiseerd. Er zouden dus eerst mijnenvegers aan te pas moeten komen. In de namiddag van 15 mei worden archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan boord gebracht van de Prince Philippe, die aan boord bewaakt worden door een 24-tal soldaten. De Prince Philippe, waarvan nog steeds maar één motor echt bedrijfsklaar is, heeft slechts een 30-tal passagiers aan boord, allen familieleden van de bemanning. Commandant F. Van Hulle liet niet meer passagiers toe. Ook Luitenant Victor Billet is op 14 mei aan boord gegaan van dit schip. Rond 21u30 vallen er drie bommen in de buurt van het station London-Istanbul, echter zonder schade aan de schepen (één bom gaat door het in aanbouw zijnde nieuwe station, de twee andere komen neer in de buurt ervan). Rond 23 uur wordt er in de haven gezocht naar een vermeende parachutist. Luitenant Billet geeft de aanwezige soldaten de toestemming om te schieten op de parachutist als ze hem zien zwemmen in de buurt van de Prince Philippe.

In de voormiddag van 16 mei moeten plots de passagiers en de bemanningsleden van de Prinses Joséphine-Charlotte en de Prince Philippe van boord gaan. Nadat een parachute in het water is gevonden, wordt gevreesd dat de Luftwaffe een magnetische mijn gedropt heeft in de haven. Rond 11u45 wordt het alarm afgeblazen. Het bevel komt dan toch enigszins onverwacht om een Brits schip, voorafgegaan door een Britse destroyer te volgen. Meer dan drie kwartier later wordt het vertreksein gegeven voor de Belgische pakketboten vanuit de Rijksmarineschool waar zich op dat moment de staven bevinden van de Belgische en Franse marine. Gevolgd door de Prince Léopold en de Prinses Joséphine-Charlotte verlaat de Prince Philippe Oostende op 16 maart 1940. Op de andere maalboten bevinden zich heel wat vluchtelingen aan boord voor het Franse Dieppe, die evenwel pas de volgende dag van boord gehaald zullen worden in het Britse Flokestone (of Southampton volgens Billet?). Onderweg laat één van de motoren van de Prince Philippe het inderdaad afweten, waardoor de twee andere schepen de Prince Philippe voorbijvaren door de mijnenvelden. Om middernacht wordt het anker uitgegooid op één mijl van de zandbank North Goodwin. Aanvankelijk was de bestemming de haven van het Franse Dieppe, maar om 2 uur ’s nachts (17 mei) krijgen ze het bevel om het anker uit te gooien in de Downs en te wachten op verdere instructies. De passagiers van de Prince Philippe gaan over op een sleepboot. De Prince Philippe moet op 18 mei om 12u30 doorvaren naar Southampton. Onderweg krijgt men op de commandobrug een SOS-bericht van de Prins Albert en de Prince Baudouin. Beide pakketboten werden aangevallen door de Luftwaffe. Pas op 3 juni mag de lege Prince Philippe in Southampton aanmeren aan de kade, waarna het opgevorderd wordt door het MOWT voor Britse dienst als LSI.

Ondertussen is in Londen een economische missie, het Belgian Shipping Advisory Committee, officieel opgericht, onder leiding van baron René Boël. Vanaf 16 mei moest dat comité zich bezighouden met de behandeling van deze afgeleide vrachten. Geen dag te vroeg want de geallieerden hebben alle cargovrachten met bestemming België, sinds de Duitse inval in België, afgeleid naar geallieerde havens met als gevolg dat heel wat bederfbare goederen (bv bananen uit Belgisch Congo) in zee gegooid moesten worden voor de kust van Engeland. Bovendien had de algemeen directeur van de Marine, Henry de Vos, op 17 mei beslist om de Belgische handelsvloot en de visserijboten op te vorderen in naam van de ministeries van Verkeerswezen en Landsverdediging, waardoor allen onder Belgische staatscontrole komen en waardoor er gemakkelijker zal kunnen onderhandeld worden met de oorlogvoerende mogendheden.

De Wet op de militaire opeisingen van 12 mei 1927 bepaalde immers:
HOOFDSTUK VIII. - SCHEEPSOPEISINGEN.
Art. 34. In oorlogstijd kan ieder Belgisch zeeschip, hetzij koopvaardijschip of ander, opgeëist worden tot gebruik en in eigendom.
De opeisingen geschieden (onverminderd de bepalingen van artikelen 9 en 10 van deze wet) :
1° Namens de minister van spoorwegen, zeewezen, posterijen en telegrafen, hetzij door de algemene bestuurder van het zeewezen of diens afgevaardigde, hetzij door de Belgische consul, handelend met tussenkomst van de minister van buitenlandse zaken;
2° Namens de minister van landsverdediging, hetzij door een hiertoe afgevaardigde officier, hetzij door een der onder bovenstaand 1° opgegeven ambtenaren.
Een koninklijk besluit zal de opeisingsvoorwaarden bepalen.
Art. 35. Als gevolg aan de opeising, moet de kapitein of de schipper, op aanvraag der opeisende overheid, en op de door haar bepaalde plaats, de passagiers, evenals de niet opgeëiste voorwerpen en koopwaren, aan wal zetten.
Het Straf- en Tuchtwetboek voor de koopvaardijvloot en de visvangst blijft uitsluitend toepasselijk zolang de opeising duurt.
Art. 36. De opeisingsbrief wordt gericht tot de kapitein, de schipper of de reder. Hij moet plaats en datum vermelden der overgave van het schip aan de regering.

Baron Boël betreurt dat hij geen beroep kan doen op een degelijke administratie in Londen. Vanaf 17 mei bevinden zich slechts enkele ambtenaren van het Zeewezen in Londen. Commandant Timmermans wordt er aangesteld als vertegenwoordiger van de Belgische administratie bij het Comité de Coordination franco-britannique. Henry De Vos zal zeer laat België ontvluchten, waardoor hij Engeland niet zal bereiken. Hij ziet zich dan ook genoodzaakt om vanuit Noord-Frankrijk naar België terug te keren.

De carferry London-Istanbul verlaat de haven van Oostende op 17 mei 1940, samen met de mailboten Princesse Marie-José, Prinses Astrid en Prince Charles. Deze schepen vervoeren heel wat vluchtelingen. Op de carferry is sprake van een 50-tal personen, voornamelijk werknemers en hun familie van de Staatsmarine. Op deze ferry wordt ook heel wat gereedschap, instrumenten en machines van de Oostendse werkplaats van de Staatsmarine meegevoerd. Op de Prince Charles zouden er zo’n 2.000 vluchtelingen gezeten hebben. Deze schepen meren de volgende dag aan in Folkestone. Van de carferry is niet geweten waar die aangemeerd lag tussen 18 en 30 mei 1940. Alleszins werden de goederen aan bood ontscheept in de haven van Brixham op een onbekende datum. De andere maalboten varen dezelfde dag nog door naar Southampton waar ook de London-Istanbul aangemeerd ligt van 30 mei tot eind september 1940.

Op 18 mei verlaat de Prins Albert, gevolgd door de Prince Baudouin, de haven van Oostende, richting Le Havre (en nadien Southampton). Het zijn de laatste maalboten van de lijn Oostende-Dover die vluchtelingen meenemen. Van 12 mei tot 12 juni 1940 voert Commandant C. Tanghe (vaak) het commando over de m/s Prince Baudouin, terwijl Commandant F. Minne het commando voerde over de carferry London-Istanbul. De m/s Prince Baudouin verliet de haven van Oostende op 18 mei met 1.500 vluchtelingen aan boord, een vracht documenten van diverse ministeries en de goudvoorraad van de Belgische nationale bank. Ter hoogte van de Fairy Banks werden beide schepen beschoten met bommen en mitrailleurvuur door de Luftwaffe, gelukkig zonder averij. Op 19 mei komen de Prins Albert en de Prince Baudouin (met o.a. de vrouw en kinderen van Luitenant Billet aan boord) aan in Southampton, waar de passagiers van boord gaan. Op uitzondering van de carferry, liggen nu alle Belgische pakketboten in de rivier, nabij Southampton, voor anker.

De s/s Prinses Josephine-Charlotte is op 23 mei opgevorderd door het MOWT voor Britse dienst, maar het zal in Southampton aangemeerd blijven tot 24 september waarna het zal omgebouwd worden tot LSI. De m/s Prins Karel is op 28 mei opgevorderd door het MOWT voor Britse dienst, maar zal eveneens in Southampton aangemeerd blijven tot 24 september waarna het zal omgebouwd worden tot LSI.

Vele bemanningsleden hebben geen nieuws van vrouw en kinderen, waardoor velen onrustig zijn. Door het soms lange wachten, slaat ook de eentonigheid toe. De bemanning staat ook wantrouwig tegenover de levering van voedsel vanop het Britse vasteland. Velen vrezen financieel bedot te zullen worden, zoals verhalen van veteranen uit WOI hen voorhielden. Na de capitulatie van het Belgisch leger op mei, verstart de houding van sommigen aan boord. De officieren en matrozen van de Prins Albert en de Prince Baudouin weigerden om voor de Britten te varen (de pakketboten maakten immers geen deel (meer) uit van de krijgsmacht).

De Staatsmarine deed dan ook beroep op de vrijwillige houding van de commandanten om haar maalboten in te zetten voor de troepentransporten naar en van Frankrijk. Volgende vaartuigen vervoerden Britse soldaten:
- Princesse Marie-José (1e Lt Petitjean) brengt op mei Britse troepen terug naar het Europese vasteland. Het schip neemt deel aan de evacuatie van geallieerde troepen uit Le Havre, Cherbourg en Saint-Malo tussen 11 en 16 juni 1940 (7 oversteken) en de operatie Aerial met evacuaties van de Brits-Normandische eilanden. Neemt op 22 juni deel aan de evacuatie van militairen van Jersey en Guernsey.;
- Prince Léopold (Cdt C. Roets) heeft op onbekende tijdstippen deelgenomen aan troepentransporten waaronder tijdens de operatie Aerial.
- Prince Baudouin (Cdt C. Tanghe) weigert aanvankelijk om te varen voor de Britten (zo ook de Prins Karel) maar vaart op 2 juli toch naar Brest. Op 5 juli is het schip terug in Southampton. Vandaar ging het naar Cherbourg waar het de volgende dag aanmeert. Het schip evacueert er soldaten naar Southampton. Op 9 juni worden soldaten geëvacueerd vanuit Brest naar Southampton. Op 12 of 13 en op 17 juni worden zo’n 3.000 Britse soldaten geëvacueerd vanuit Saint-Malo. Daarna bleef het schip in Southampton tot 24 september waarna het omgebouwd werd tot Fast Supply Ship.
- Prince Charles (Cdt F. Van Gool) brengt op mei Britse troepen naar het Europese vasteland. Het schip evacueert op 30 mei geallieerde soldaten en burgers vanuit Caen. Het schip is dan opgevorderd door het Ministry Of War Transport (MOWT). Op 4 juni evacueert zij geallieerde soldaten en burgers uit Brest. Tussen 11 en 16 juni 1940 neemt zij deel aan de evacuatie van militairen en burgers uit Brest, Cherbourg en Saint-Malo. Vanaf 25 juni blijft het schip aangemeerd in Southampton.
- Prinses Astrid (Cdt Georges Timmermans) neemt deel met de Prins Karel aan de evacuatie van geallieerde troepen te Saint-Malo (12 en 15 juni 1940), Cherbourg en Brest. Van 20 tot 22 juni 1940 neemt de boot deel aan de evacuatie van geallieerde soldaten van Jersey en Guernsy.
- Ferry London-Istanbul zou deelgenomen hebben aan de evacuatie van geallieerde troepen uit Brest en Saint-Malo.

Na het ingaan van de wapenstilstand tussen Frankrijk , Duitsland en Italië op 25 juni 1940, verslechtert het klimaat onder de bemanningen aan boord van de maalboten in Southampton. Voor hen is de oorlog afgelopen en is België niet meer in oorlog, waardoor ook de militaire opeising opgehouden heeft te bestaan. Ze weigeren dan ook te varen voor de Britse overheid. In juli 1940 realiseert René Boël zich, door briefwisseling met de commandanten, dat er dient ingegrepen te worden. Uit een brief van 17 juli van Commandant Piette leert hij dat de zeelieden represailles vrezen tegen hun familieleden die achtergebleven zijn in België. De dienst aan boord van de maalboten op de lijn Oostende-Dover werd gezien door de administratie als een manier voor oudere agenten om hun carrière op een werkbare manier te beëindigen. De gemiddelde leeftijd is dan ook eerder aan de hoge kant. Uiteindelijk zullen alle agenten die weigerden om de dienst verder te zetten, gestraft worden. De zwaarte hing af van de leeftijdsgrens van 40 jaar. Iedere gestrafte kreeg echter de mogelijkheid op rehabilitatie door drie maanden te varen voor de handelsvloot of door zich aan te bieden bij de Royal Navy Section Belge.

Op 20 september 1940 stemde de Belgische regering ermee in om de veerboten Prinses Astrid, Prince Charles, Prince Léopold, Prinses Joséphine-Charlotte, MS Prins Albert, MS Prince Philippe te verbouwen tot Landing Ship, Infantry voor de Royal Navy. De MS Prince Baudouin deed van 30 september 1941 tot 2 december 1942 dienst als bevoorradingsschip in de Middellandse Zee.

De laatste bemanning van de ZINNIA in 1940 zou bestaan hebben uit:
Commandant Bly
1e Luitenant Renier
2e Luitenant Jonckheere
3e Luitenant Larose
Hoofdwerktuigkundige H. Duyck
Geneesheer Kesteloot
Almoezeniers J. Dobbels en A. Delbaere
40-koppige bemanning

Volgende commandanten zouden in mei 1940 nog deel uitgemaakt hebben van de Staatsmarine:
Directeur-generaal Henry de Vos
Cdt René Boël (commandant-directeur, lid van de economische missie in de UK)
Cdt R. Lesure (commandant-directeur, hoofd van het Bestuur van de Staatsmarine en de comptabiliteit)
Cdt Lauwereins (commandant-directeur)
Cdt Henri Piette (commandant-directeur)
Cdt Goor (commandant-directeur)
Cdt A. Bly (Zinnia)
Cdt C. Roets (Prince Léopold)
Cdt Georges Timmermans (Princesse Astrid)
Cdt André Timmermans (broer van Georges en hoofd van het Belgian Shipping Advisory Committee)
Cdt F. Van Gool (Prince Charles)
Cdt Fr. Minne (Prince Baudouin)
Cdt F. Aspeslagh (Princesse Joséphine Charlotte)
Cdt R. Van Hulle of Vanhulle (Prince Philippe)
Cdt A. Kesteloot (Prince Albert)
Cdt R. Verbiest (Princesse Marie-José)
Cdt Charles Tanghe (ex-Ferry London-Istanbul, vanaf 12/05 op Prince Baudouin, daarvoor Prince Philippe)

Bronnen:
- Jones, I., La mission économique belge à Londres (20 juillet – 31 décembre 1940). Le baron Boël et l’engagement de la flotte belge dans l’effort de guerre allié in Cahiers d'Histoire de la seconde guerre mondiale, XI, 1988, 1
- z.n., L'Odyssée de la Ligne Ostende-Douvres 1940-1946 (II), 2012
- Leconte, L., Les uniformes des équipages des canonnières de réserve (1909-1914), du Dépôt des équipages (1917-1919), du Détachement des torpilleurs et marins (1919-1929) et du Corps de Marine (1939-1940) in Carnet de la Fourragère, n° 8 (9e série), décembre 1951, Et. D’Imp. L’Avenir, p. 593 e.v.
- Billet, G., De strijd van Luitenant Victor Billet, JMP-Trends, Middelkerke, 1999
- Gevaert, F., Zeewezensprokkels 2, 3 (1993), 5 (1994) en 8 (1998) in De Plate
- Billet, G., Nos marins lors de la débâcle de 1940 (I et II) in Neptunus, 2009-2010
- Z.n., Malles Ostend-Dover après la WW II (historique) (www.belgian-navy.be/t8321-malles-ostend ... historique)
- Goethaels, A., M.S. Prince Baudouin
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... douin.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... lbert.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... lotte.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... strid.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... opold.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... arles.html
- http://users.telenet.be/eddy.lannoo/sch ... eJose.html

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1803
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: De opeising van het Staatszeewezen (Marine de l’Etat) in mei 1940

Bericht door Bram1940 » 29 aug 2021 20:57

Voorbeelden van enkele jonge gesneuvelde zeelieden uit de eigen verzameling.


Georges Marchal, 22 jaar, vermoedelijk afkomstig uit de omgeving van Seraing.
IMG_9989.jpg
IMG_9990.jpg

Bruynseels uit Hulshout, 23 jaar.
IMG_9987.jpg
IMG_9988.jpg

Ook zij leverden het ultieme offer in dienst van het land.

Groeten,
Bram
Je hebt niet voldoende permissies om de bijlagen van dit bericht te bekijken.

Plaats reactie

Terug naar “Mei 1940 - Mai 1940”