DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

In de roes van de overwinning.

Moderators: Exjager, piot1940, Bram1940

Plaats reactie
Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 29 dec 2020 16:05

In het artikel hieronder tracht ik een overzicht te geven van de (theoretisch) beschikbare aantallen machinegeweren die in gebruik waren in het Belgisch leger in de periode 1920 – 1940

Voorgeschiedenis


In 1914 trok het Belgische leger ten strijde zonder draagbare lichte mitrailleurs of machinegeweren. Bij de infanterie waren enkele mitrailleurs Mitrailleuse Maxim Modèle 1911 (in feite een Duitse Maxim modell 1906 voor de commerciële markt op aangepaste affuit(1)), Hotchkiss Modèle 1900 en Modèle 1906-1912 op driepoot met zadel en Madsen Modèle 1904, allen in kaliber 7,65mm. Bij de karabiniers-wielrijders was de lichte mitrailleur Hotchkiss Modèle 1909 (de zogenaamde Hotchkissette) met kolf en tweepoot in dienst, eveneens in kaliber 7,65mm.

Patroonhouder Hotchkissette.jpg

Voor meerdere van deze wapens werden ook affuiten op wielen gebruikt. Deze bewapening werd aangevuld met een aantal mitrailleurs Hotchkiss Modèle 1914 in kaliber 7,65mm op driepoot met zadel, (mogelijks) enkele Britse machinegeweren Lewis Machine Gun Mk I in het kaliber 7,65mm of in kaliber .303 met kolf en tweepoot en een aantal Amerikaanse mitrailleurs Colt Model 1914 in kaliber 7,65mm op driepoot met zadel(2). Bovendien werden al tijdens het begin van de oorlog buitgemaakte Duitse mitrailleurs MG08, en later mitrailleurs MG08/15, in gebruik genomen in kaliber 7,92 x 57(3). Op de Madsen na, kon geen van deze wapens door één persoon bediend worden of vanuit de heup afgevuurd worden. De term machinegeweer is dan niet van toepassing. Tijdens de stellingenoorlog leverden de Fransen een aantal machinegeweren Fusil-Mitrailleur CSRG Modèle 1915 (de zogenaamde Chauchat) in het Franse kaliber 8 x 50R (patronen modèle 1886 D (am)(4)) met kolf en tweepoot (maar voornamelijk zonder vlammendemper)(5). Bij de cavalerie deed de Chauchat haar intrede in 1917, behalve bij enkele pelotons Hotchkiss Mod. 1914, ter vervanging van de mitrailleurs Colt(6).

Eens de wapenstilstand getekend, kreeg België een heel arsenaal aan Duitse oorlogsbuit toegewezen. De diversiteit aan munitie speelde de logistieke keten echter parten. Er waren immers wapens in Belgisch, Frans en Duits kaliber. Deze wapens inpassen in de Belgische legerstructuur, was dan ook geen evidente zaak. Pogingen om alvast de Chauchat tijdens WOI aan te passen naar het kaliber 7,65mm strandden door een gebrek aan middelen en tijd voor de Belgische werkplaatsen in Calais. Vermoedelijk in de tweede helft van de jaren 1920, werden de Franse Chauchat machinegeweren en de Duitse mitrailleurs MG08 en MG08/15 dan toch aangepast door de Manufacture d’Armes de l’Etat (M.A.E.) naar kaliber 7,65mm. Ook de halfcirkelvormige lader voor de Chauchat werd daarbij vervangen door een minder gebogen model. De Chauchat had een kwalijke reputatie opgebouwd in WOI. Door de vorm van de Franse 8mm-patroon, de broosheid en de vorm van de lader, liepen heel wat van deze wapens vast tijdens het vuren. De verbeteringen die werden doorgevoerd voor het Belgisch leger, maakten dat de legerleiding in België wel tevreden was over het aangepaste wapen. Het is vooralsnog niet geweten of de verbeteringen al ten uitvoer gebracht werden in de ateliers van (motor)fietsenconstructeur Gladiator voor het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het lijkt er alvast op dat de Belgische infanterie uitgerust bleef met dergelijke wapens in 8mm en dit tot na de Wapenstilstand.

Chauchat FM 15 27.jpg

Eens de aanpassingen doorgevoerd, vermoedelijk in de tweede helft van de jaren 1920, kregen deze machinegeweren voortaan de officiële benaming Fusil-Miltrailleur Modèle 15-27(7). De lebelgeweren die dienst deden in de groep met de Chauchat-schutters en die ook dienst deden om de VB-granaat af te vuren door middel van de VB-schietbeker bleven echter dienst doen in het Belgisch leger in het Franse kaliber.

VB2.jpg

De verbeterde versie F.M. 15-27 had een lader voor 15 patronen in kaliber 7,65mm. Zowel patronen model 1889 (met ronde kogel) als model 1930 (met puntige kogel) waren geschikt voor dit wapen(8). Net boven de voorste beugel voor de schouderriem was het wapen gemarkeerd met de letter O indien het bestemd was voor de patronen model 1930(9). Ook al was het kaliber hetzelfde, toch zullen de verschillen tussen deze wapens de troepen in mei 1940 soms voor verrassingen doen komen wanneer de geleverde munitie niet geschikt scheen(10). Voor zover bekend, werden geen F.M. 15’s bijbesteld na het einde van WOI noch zelf bijgemaakt als F.M. 15-27.

1.jpg

Zie https://www.ablhistoryforum.be/viewtopi ... ee3#p46263

De ontwikkeling van de F.M. 30(11)


In 1917 ontwikkelde John Browning de Browning Automatic Rifle (BAR) M1918 om er de American Expeditionary Forces mee uit te rusten als vervanger voor de Franse Chauchat en de Hotchkissette. John Browning verkocht de rechten op zijn patent aan de Amerikaanse overheid(12). De regering koos Colt als fabrikant, maar aangezien Colt op korte termijn onvoldoende aantallen kon produceren, werden ook Winchester en Marlin-Rockwell Corp. bij de productie betrokken. Hoewel het wapen zeker gewaardeerd werd door de troepen, bleef de productie steken op ongeveer 102.000 stuks in 1919. De Amerikaanse overheid was ervoor bevreesd dat het wapen in Duitse handen zou vallen en vervolgens gekopieerd zou worden. Bovendien ging men er vanuit dat de troepen veel training nodig hadden met dit wapen. Bijgevolg werden ze aan een traag tempo verdeeld. Nadat het vele kwalitatieve aanpassingen en verbeteringen had ondergaan op vraag van 2nd Lieutenant Val Browning (de zoon van) die de troepen in Frankrijk opleidde, hetgeen resulteerde in de M1918A1 en de M1918A2, kwam de BAR pas rond 1938 echt op de voorgrond in het Amerikaanse leger.

In 1919 werd er een commerciële variant ontwikkeld, die aangeboden werd in een heel aantal kalibers waaronder 7,65mm. Volgens een internationaal akkoord tussen John Browning, Colt en FN, mocht FN de Brownings verdelen op de Afrikaanse en Europese markt exclusief Groot-Brittannië, terwijl Colt dat land en het Amerikaanse continent voor zich nam(13). Reeds in 1920 mocht FN onder licentie BAR’s maken. De eerste BAR’s die FN verkocht, waren bestemd voor de Zweden, onder de naam Kg m/21 (Kulsprutegevär) in kaliber 6,5mm × 55. Het is moeilijk te bepalen of deze wapens door Colt dan wel door FN zelf vervaardigd werden. Alleszins waren de eerste exemplaren voor Zweden door FN bij Colt aangekocht. In 1940 had Zweden bijna 24.000 Kg m/21s en (de verbeterde versie) Kg m/37s.

FN verkocht de BAR ook aan Polen. De Poolse regering bestelde 10,000 BARs in kaliber 7,92. De productie begon in 1928. De wapens werden geleverd door FN tussen 1928 en 1930 als wz.28 (Model 1928). Na akkoorden met Colt en FN, produceerde Polen nadien zelf nog tussen 12.000 en 13.000 wz.28’s in Warschau. Na de inval in Polen kwamen ze zowel in Duitse als in Sovjethanden.

Het Model 1925 (ook gekend als de R75), was het populairste model buiten de VS. De loop had koelribben, een lichte tweepoot en was voorzien van elementen om stof te vermijden in de laders en aan de uitstoter. Al in de periode 1921 – 1928 verdeelde FN heel wat automatische wapens voor Colt. Vanaf 1929 zal FN zelfs exclusief de verkoop regelen voor de Colt R75 en de Colt Monitor (de lichtste versie van de BAR-familie).

FN had de rechten om een eigen versie van de BAR te maken, hetgeen resulteerde in de Fusil-Mitrailleur 1930, afgekort F.M. 30. Met tussenkomst van Dieudonné Saive ontwikkelde FN die eigen variant op basis van de R75. De F.M. 30 had een andere gasklep en een mechanische vuurkadansvertrager tussen de trekker en de lader. Het wapen was aangepast voor gebruik op een affuit met telescopische driepoot die ook kon dienen als luchtafweer. Om het wapen te kunnen gebruiken tegen vliegtuigen zonder het "zware" affuit werd ook de naaldbajonet model 1935 ingevoerd waarvan de schede via een scharnierende vork kon dienen als steun voor een luchtafweeropstelling.

Trépied1.jpg
Trépied2.jpg

In 1932 werd dan de ultieme versie van de F.M. 30 ontwikkeld, gekend als de FN Modèle D (de D staat voor “démontable"). Het model D had een loop die zeer snel verwisseld kon worden (om tegemoet te komen aan eerdere kritiek dat de loop kon oververhitten), was gemakkelijker uiteen te halen en was eenvoudiger in onderhoud.

In de periode 1933-1936 leverde FN minstens 4.148 BAR’s in kaliber 7,92mm aan China, om tegen 1939 een totaal bereikt te hebben van 29.550 stuks. Op de Filippijnen zullen Amerikaanse troepen verschillende van deze wapens aantreffen in buitgemaakte Japanse stocks. Vermoedelijk waren deze wapens buitgemaakt door de Japanners op de Chinezen. De originele Belgische markeringen waren afgevijld en vervangen door Japanse. FN leverde eveneens tussen 60 en 110 BAR’s aan het Abessinië (Ethiopië) van keizer Haile Selassie in kaliber 7,92mm, wanneer Belgische officieren met een hele voorraad militair materiaal naar dat land gestuurd werden om er het leger te trainen en op te bouwen tussen 1930 en 1935 (zo zou de keizerlijke garde gekleed geweest zijn in Belgische kaki uniformen)(14).

Volgens Anthony Vanderlinden leverde FN aan het Belgisch leger in september 1931 zo’n 2.500 F. M. 30’s in kaliber 7,65mm, in september en december 1931 gevolgd door respectievelijk 2.000 en 500 stuks. In juni 1933 werden nogmaals 126 F.M. 30’s geleverd. Tussen 1933 en 1939 werden er (nagenoeg) geen geleverd. De juiste cijfers ontbreken. Alleszins kwam de productie terug op gang bij de mobilisatie in september 1939 en zouden de laatste exemplaren geleverd zijn in mei 1940.

De F.M. 30 woog 9kg300. Theoretisch kon de F.M. 30 600 schoten per minuut afvuren. Uiteraard was de vuursnelheid afhankelijk van de snelheid waarmee de laders konden aangevoerd en verwisseld worden. Ieder magazijn had maar een capaciteit van 20 patronen. Daardoor lag de praktische vuursnelheid op 50 schoten per minuut. Iedere maal de trekker werd overgehaald vertrokken 3 tot 5 patronen met een accuraatheid tot 600 meter. Op drievoet was de accuraatheid zelfs tot 1000 meter en kon een gebied tot 1500meter bestreken worden. Om het wapen onbruikbaar te maken voor de vijand was het voldoende om de gascilinder af te nemen.

De BAR-D is meestal beschreven als uitgebracht na den oorlog, dit is niet juist! De BAR Demontable kwam op de markt in 1932.

Instruction.jpg

Instructieboekje van Luitenant Plaquet. Plaquet was vermoedelijk in 1940 bevorderd tot kapitein. Hij was een van beide adjuncten van de Inspecteur-Generaal van de Rijkswacht Luitenant-Generaal ridder de Nève de Roden. Na oktober 1943 was hij één van de rijkswachtofficieren die als Sicherheitshäftling opgesloten werd in het kamp van Leopoldsburg tot september 1944(15).

De verdeling van de machinegeweren in het Belgisch leger

In 1930, bij de invoering van de F.M. 30, waren er 13 Linieregimenten (1 t/m 13) actief, 3 regimenten Jagers te Voet (1 t/m 3), een regiment Karabiniers en een regiment Grenadiers(16), wat het theoretisch totaal op 108 x 18 = 1944 FM’s bracht bij de infanterie. Daarnaast waren er nog FM’s nodig bij de twee regimenten Karabiniers-Wielrijders (telkens 4 compagnies fuseliers-wielrijders waarin zich ploegen F.M. 30 bevonden), bij de Cavalerie (een regiment Gidsen, 2 regimenten Jagers te Paard en 3 regimenten Lansiers), de artillerie (6 bereden regimenten, een regiment rijdende artillerie, 3 regimenten legerkorpsartillerie, 2 regimenten legerartillerie en een regiment DTCA), de opleidingskampen en -scholen en de gendarmerie.
Bij de infanterie bestonden in elk regiment de volgende eenheden waarin zich een FM bevond:
- 1 FM-ploeg met één FM per gevechtsgroep
- 4 gevechtsgroepen per peloton
- 3 pelotons per fuselierscompagnie
- 3 fuselierscompagnies per bataljon
- 3 bataljons per regiment
- Totaal: 108 FM’s per regiment

Zie ook https://www.ablhistoryforum.be/viewtopi ... ger#p10242

14315510.jpg
belgium fn fm30 soldier.jpg
Cavalerist met F.M. 30 (bron: www)


Gaandeweg kwamen er eenheden bij of breidden ze uit, zoals de Grenswielrijderseenheden, de Speciale Vestingeenheden en de eenheden Ardense Jagers (ex-10de Linie). In 1939, bij de geleidelijke mobilisatie, en zeker op 10 mei 1940 bij fase E van de mobilisatie, waren er onvoldoende F.M. 30’s in voorraad om ook de eenheden van tweede reserve uit te rusten. Zij zullen het dan ook moeten doen met de aangepaste F.M. 15-27 (Chauchat) die stamde uit de periode eind 1916 - 1917.

In mei 1940 waren de infanteristen ingedeeld in twaalf infanteriedivisies en zes infanteriedivisies (26 Linieregimenten, 6 regimenten Jagers te Voet, 2 regimenten Grenadiers, 2 regimenten Karabiniers en 4 regimenten Karabiniers-Wielrijders) van tweede reserve (13 Linieregimenten, 3 regimenten Jagers te Voet, 1 regiment Karabiniers en 1 regiment Grenadiers)(17). Per divisie bestaande uit actieve regimenten en regimenten van eerste reserve waren er 324 machinegeweren FN Browning model 1930 voorzien. Dit kwam dus neer op een totaal van 12 Infanteriedivisies en 2 Divisies Ardense Jagers, of 14 x 324 = 4.536 stuks.

Bij de actieve infanteriedivisies werd telkens een eskadron wielrijders gevoegd die afkomstig was van de oudere klassen van de cavalerie. Ieder eskadron bestond uit drie pelotons van vier secties met telkens een F.M. 30, dus 12 stuks. In totaal gaat het dan om 12 x 12 = 144 stuks. Bij de divisie van tweede reserve werd telkens een wielrijdersgroep afgedeeld, bestaande uit o.a. twee eskadrons fuseliers-wielrijders met in totaal telkens 24 FMs’. In totaal gaat het dan om 6 x 24 = 144 stuks.

In de periode 1938 – 1940 werden ook pelotons verkenners toegevoegd aan ieder regiment. In geval het ging om type B, hadden deze pelotons ook twee F.M. 30’s. Het zou evenwel maximaal om twee pelotons gegaan hebben, namelijk die toegevoegd aan het 6de Linie en die toegevoegd aan het 28ste Linie(18). In totaal dus 2 x 2 = 4 stuks.

Er bestonden twee cavaleriedivisies met zes gemotoriseerde cavalerieregimenten (elke met vier eskadrons waarin F.M. 30-ploegen zaten) en twee regimenten vervoerde cavaleristen. Dit kwam neer op 6 x 48 = 288 F.M. 30’s en 2 x 44 = 88(19) of in totaal 376 F.M. 30’s. Andere bronnen spreken over 52 machinegeweren bij de Jagers te Paard(20).

Daarnaast waren er nog de twee Lichte Regimenten (Rijkswachters) met telkens 4 eskadrons fuseliers (twee groepen met twee eskadrons) met telkens twee pelotons van vier gevechtsgroepen bestaande uit een ploeg F.M. 30 (dus in totaal 4 x 2 x 4 = 32 F.M. 30’s)(21) en een eskadron pantserwagens waarvan de overgebleven gepantserde wielvoertuigen VUDB telkens uitgerust waren met twee F.M. 30’s(22). Er waren ook F.M. 30’s aanwezig bij de bataljons grenswielrijders, de luchtvaartregimenten, in de scholen en op diverse voertuigen zoals de T15. Bij de CRI-eenheden waren vermoedelijk enkel F.M. 15-27’s in mei 1940(23). In mei 1940 zullen de versleten F.M. 15-27’s van sommige eenheden vervangen worden door F.M. 30’s. We mogen dan ook aannemen dat er nog een aantal in reserve waren(24).

De infanteriedivisies van tweede reserve waren uitgerust met het Mausergeweer model 1889(25) en het machinegeweer model 15-27, getuige daarvan de Instruction sur le Fusil-Mitrailleur 15-27 uit 1939 met stempel van de 5de Compagnie van het 38ste Linieregiment (14de Infanteriedivisie). Hier ging het om 6 Infanteriedivisies, of 6 x 324 = 1.944 stuks.

Het gebruik van de machinegeweren in het Belgisch leger

De FM-ploeg bestond uit(26):
- De korporaal ploegcommandant
- De schutter
- De munitieaangever 1
- De munitieaangever 2
- De munitieaangever 3
- De munitieaangever 4

2-Herschaalde kopie van Foto 1 Jan.jpg
Twee F.M. 30-ploegen met de sergeant (Foto verzameling Jan)


De fuselier-mitrailleur had hoofdzakelijk tot opdracht om hetzij de gevechtsgroep toe te laten zo ver mogelijk door te stoten dat de andere fuseliers de vijand konden uitschakelen (we spreken over een geschatte afstand van maximaal 400 meter tot het doel voor de gewone fuseliers en 600 meter voor de keurschutters onder de fuseliers), hetzij om de vijand te verhinderen dat zij het bezette terrein zou naderen(27). De FM werd als bijzonder doeltreffend aanzien tot 600 meter. Boven de 1.500 meter voor de F.M. 30 en boven de 1.200 meter voor de F.M. 15-27(28) waren de machinegeweren helemaal niet meer doeltreffend en moest het schieten overgelaten worden aan de mitrailleurs. De regel was schieten per bui van drie à vijf patronen(29). Slechts in geval van nood en als de doelen zeer dichtbij gelegen waren, mocht de F.M. 30-schutter meerdere patronen tegelijk afvuren in buien tot tien patronen, de F.M. 15-27-schutter in buien van zeven à acht patronen. Tussen twee buien moest de schutter steeds opnieuw richten. Maaiend vuren (van links naar rechts vuren) kon in een sector van 250 duizendsten (een frontlijn van 50 meter breedte op een afstand van 200 meter) zonder de tweepoot te verplaatsen(30). De gevaarlijkste punten moesten eerst bestreken worden. In het geval van een belangrijk doel dat zeer dicht gelegen lag en zo snel mogelijk uitgeschakeld moest worden, mocht de lader ineens leeg gevuurd worden.

In het gevecht, mocht de schutter enkel oog hebben voor zijn wapen en voor de te beschieten doelen. De eerste munitieaangever was de onmiddellijke plaatsvervanger van de schutter. Hij volgde de schutter aan diens rechterzijde. Hij verzorgde samen met de schutter de stelling van waaruit gevuurd zou worden en diende de aanvoer van munitie te verzorgen en de werking van het wapen me te bewaken met de schutter. De schutter had geen persoonlijk wapen. De eerste munitieaangever was gewapend met een automatisch handvuurwapen, meestal een GP35 voor de actieve regimenten en de regimenten van eerste reserve. Bij de regimenten van tweede reserve ging het om een Colt 1903, een FN1900 of een FN1910.

Belgen langs straatkant GP35.jpg
www.abbl1940.be


De korporaal ploegcommandant moest de plaats kiezen waar het machinegeweer moest komen, hij stond mee in voor de inrichting van de stelling en hield toezicht op de vuurkadans en de bevoorrading. Tijdens het gevecht bevond hij zich links van de schutter. Indien de korporaal ploegcommandant buiten gevecht gesteld werd, moest de FM-schutter zijn bevelen rechtstreeks krijgen van de commandant van de gevechtsgroep. De drie overige munitieaangevers moesten mee instaan voor de werkelijke bevoorrading van munitie. Zij kuisten en vulden de lege laders. Deze korporaal en de overige aangevers waren bewapend met een Mauser model 1935, een model 1936 of een model 1889. Deze aangevers beveiligden met hun persoonlijk wapen de FM-stelling. Tijdens de marsen werd de FM hetzij aan de riem over de schouder gedragen, hetzij op één van beide schouders gelegd met de kolf naar achter. De laders werden steeds uit het wapen gehaald voor de mars, tenzij de schutter zich moest gereed houden om al gaande te schieten (walking fire)(31). Tijdens het gaande schieten primeerde het morele effect op de vijand boven de precisie van het vuren. De ploeg moest erop toezien dat de FM steeds kon gebruikt worden, ook al zou de ploeg nog maar uit één man bestaan. Bijgevolg kregen ook alle munitieaangevers de opleiding tot schutter en eerste munitieaangever.

Het was niet de bedoeling dat de schutter eerst zijn eigen laders zou gebruiken. De laders moesten immers in de volgende volgorde aangereikt worden (indien mogelijk):
- De laders van de munitieaangevers
- De laders van de schutter
- De laders van de korporaal(32)

De verdeling van de munitie voor het machinegeweer

IMG_7334.jpg
zie Z.n., Handboek voor het Reserve-kader der Infanterie, MCI, 1933, p. 260


De ploeg droeg 1.240 patronen mee waaronder 120 patronen voor het geweer (in de bovenste zakjes op de gordel van de uitrusting van de korporaal en de munitieaangevers 2, 3 en 4).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog doet het Belgisch leger voornamelijk beroep op de beschikbare Franse uitrusting voor haar machinegeweerploegen.

VB1.jpg

In de tweede helft van de jaren 1920 wordt ook een andere uitrustingsset op punt gesteld, gemaakt in geweven katoen, waarbij voldoende plaats voorzien was om de laders in op te bergen. Er bestonden daarin twee modellen, één voor de gewone infanteristen (waarschijnlijk te vinden in de Instruction sur l'Equipement pour F.M. 15 van 05/06/1925) en één voor de wielrijders (zie JMO, 1929, p. 67-71).

VB3.jpg
Een 4de gevechtsgroep van het 11de Linie in de periode 1925 - 1931.

fotochauchatgroep Fr Gorissen.jpg
Foto Frans Gorissen


Bij de ingebruikname van de F.M. 30 wordt de nieuw ontwikkelde uitrusting voor de F.M. 15-27 verder gebruikt alhoewel ze minder geschikt is door de andere vorm van de laders voor de F.M. 30.

fotofmschutteroudeuitrusting Kinjet.jpg
Foto verzameling Jan Kinjet


Vrij snel komt er dan ook voor dit wapen een nieuw ontwikkeld systeem om zowel losse munitie (op clips of laderplaten) als munitie op laders mee te voeren. Er is een set voorzien voor de schutter en een set voor de munitieaangevers. Er bestaan echter meerdere modellen binnen dit systeem, zelfs in leder.

Patroontassen FM30.jpg

De pistoolmunitie was hierbij niet voorzien en moest dus apart meegedragen worden door de militairen in de FM-ploeg die voorzien waren van een pistool.

Zie http://abbl1940.be/ABBL1940files/Uitrus ... meenNL.htm

Gekende markeringen

F.M.30 - 1184 monogram Albert I - met vuurdemper
F.M.30 – 4281 monogram Albert I – met vuurdemper
(https://www.cowanauctions.com/lot/fn-mo ... gun-122375)
F.M.30 – 4506 monogram Albert I – met vuurdemper
F.M.30 - 4582 monogram Albert I
F.M.30 – 5745 monogram Albert I – met vuurdemper
(La Gazette des Armes n° 385)
F.M.30 – 6994 monogram Leopold III – met vuurdemper
F.M.30 – 7483 monogram Leopold III – met vuurdemper
F.M.30 – 8353 monogram Leopold III – met vuurdemper
F.M.30 - 8445 monogram Leopold III
(La Gazette des Armes n° 385)
F.M.30 – 8715 monogram Leopold III – met vuurdemper
F.M.30 – 9015 monogram Leopold III – met vuurdemper
(https://www.gunboards.com/threads/belgi ... ar.747906/)
F.M.30 - 276 monogram Leopold III - onderdelen gemarkeerd C276 dus wellicht nieuwe nummering na nummer 9999

De nummering van de wapens hing meestal af van wat er in het contract bepaald werd. Het was dan ook meestal de klant die de nummering bepaalde. Er valt dan ook sops geen lijn in te trekken.

Vragen

Kan de (theoretische) verdeling van de FM 30 in pakweg 1932 en in 1940 verder verfijnd worden om tot een correcter
Je hebt niet voldoende permissies om de bijlagen van dit bericht te bekijken.

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 29 dec 2020 16:57

De voetnoten:
1. FN had voor het Belgisch leger een licentie onderhandeld met D.W.M. waarna de productie opgestart werd in 1914. Hoeveel er uiteindelijk geleverd zijn en door wie is onbekend. FN was toen deels eigendom van D.W.M. Info via Anthony Vanderlinden
2. Het betrof een verbeterde versie van de Colt Model 1895 “Potato Digger”. De aanduiding model 1914 was in feite een marketingnaam om de buitenlandse verkoop te stimuleren. Info via Anthony Vanderlinden.
3. Van de Poele, P., e.a., Het Belgisch leger in de Grote Oorlog. De reglementaire draagbare bewapening, Verlag Militaria, Wenen, 2017, p. 135 - 201
4. am = à amorçage modifié
5. De levering van de Chauchats verliep als volgt: 513 in december 1916, telkens 450 van januari 1917 tot en met mei 1917 en 500 in juni 1917, waarvan 250 met vlammendemper (Bron: Van de Poele, P., e.a., Het Belgisch leger in de Grote Oorlog. De reglementaire draagbare bewapening, Verlag Militaria, Wenen, 2017, p.199)
6. Van de Poele, P., e.a., Het Belgisch leger in de Grote Oorlog. De reglementaire draagbare bewapening, Verlag Militaria, Wenen, 2017, p. 193
7. De Bruyne, T., Draagbare bewapening in het Belgische leger aan het IJzerfront 14-18 in Shrapnel, WFA, november 1999, p.1-35; zie de opmerkingen van Pierre (bupi) in de post https://www.ablhistoryforum.be/viewtopi ... =20&t=6648
8. Welke aanpassingen er uitgevoerd zijn voor de patroon model 1930 is niet gekend. Ze zijn uiteraard pas gebeurd na 1930 en vermoedelijk door de Manufacture d’Armes de l’Etat (M.A.E.) die destijds ook de Duitse wapens omgebouwd heeft.
9. Z.n., Instruction sur le Fusil-Mitrailleur 15-27, MDN, 1939, p. 5
10. https://18daagseveldtocht.be/infanterie ... eregiment/ (zie vrijdag 10 mei 1940 – geraadpleegd op 27/12/2020); https://18daagseveldtocht.be/infanterie ... eregiment/ (zie zaterdag 11 mei 1940 – geraadpleegd op 27/12/2020)
11. Met dank aan Anthony Vanderlinden voor productiecijfers en verduidelijkingen; https://en.wikipedia.org/wiki/M1918_Bro ... atic_Rifle (geraadpleegd op 20/12/2020)
12. Info via Anthony Vanderlinden
13. Info via Anthony Vanderlinden
14. De zending bestond uit de infanterie-officieren Majoor Polet, Kpt-Cdt Faniel, Kpt. Systermans, Lt Wagner en Lt Gendarme (+Addis Abeba, 17/08/1931). Later werd de zending aangevuld door een aantal rijkswachtofficieren die gaandeweg vervangen werden door de infanterie-officieren Majoor SBH Dothee, Kpt Listray, Kpt ridder de Meulaer, Kpt Motte, Lt Van den Driessche, Lt Delrez, Lt Cambier, Lt Tellier, Lt Meys en de cavalerie-officieren Lt Deceuninck, Lt baron Dieudonné de Corbeek-over-Loo. Hun basiskamp lag in Bari. (Bron: De Volksstem, 13/02/1935, p. 1)
15. Van Geet, W., De Rijkswacht tijdens de bezetting, De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1985, p. 168
16. Z.n., Geschiedenis van het Belgisch leger, Deel 2, Van 1920 tot heden, CHD, Brussel, 1988, p. 31
17. Zie https://18daagseveldtocht.be/
18. Simon, E., Les pelotons d’Eclaireurs Régimentaires, Arquennes, 2013, p. 52
19. Stassin, G., Cavalerie motorisée. Motorisation et mobilisation 1935-1939, p. 42-48
20. de Jonghe d’Ardoye, E., Le 1er Régiment de Chasseurs à Cheval en Campagne
21. Van Geet, W., De Rijkswacht tijdens de bezetting, De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1985, p. 202
22. https://18daagseveldtocht.be/rijkswacht ... -regiment/ (geraadpleegd op 26/12/2020)
23. https://18daagseveldtocht.be/infanterie ... eregiment/ (zie vrijdag 10 mei 1940 – geraadpleegd op 27/12/2020)
24. https://18daagseveldtocht.be/infanterie ... eregiment/ (zie zaterdag 25 mei 1940 - geraadpleegd op 27/12/2020)
25. De Vos, L., Decat, F., België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 10Mei 1940, van Albertkanaal tot Leie, p. 30
26. Z.n., Handboek voor het Reserve-kader der Infanterie, MCI, 1933, p. 16
27. Z.n., Handboek voor het Reserve-kader der Infanterie, MCI, 1933, p. 282-283
28. Ritter, H., Manuel du sous-officier d’infanterie, Van Nylen frères, Anvers, p. 359
29. Z.n., Reglement betreffende het schieten, nrs 108-160
30. Z.n., Handboek voor de Infanterist. Tweede deel. Bijzondere opleiding van den Fusilier-Mitrailleur, MCI, 1932, p. 52-53
31. In theorie mocht dit maar indien de vijand op maximaal 200 meter verwijderd was. De schutter mocht maar om de twee passen een bui laten vertrekken. (Bron: Z.n., Handboek voor de Infanterist. Tweede deel. Bijzondere opleiding van den Fusilier-Mitrailleur, MCI, 1932, p. 13).
32. Z.n., Reglement betreffende het schieten, nrs 108-160

Specials thanks to Anthony Vanderlinden

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 30 dec 2020 17:45

Het artikel wordt bijgewerkt van zodra er nieuwe info opduikt om het zo correct mogelijk weer te geven.

Aanvulling met serienummers.

Groeten,
Bram

Gebruikersavatar
piot1940
Beheerder
Berichten: 1017
Lid geworden op: 29 mei 2011 16:02
Contacteer:

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door piot1940 » 31 dec 2020 09:26

Bram,

Hartelijk dank voor dit stevig opzoekwerk. Mooi resultaat.


m vr gr, Jean

Gebruikersavatar
canadian2nd
Sponsor
Berichten: 1669
Lid geworden op: 21 jun 2011 14:07
Locatie: Bachten de Kupe

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door canadian2nd » 31 dec 2020 12:30

Puik werk Bram.
Ook leuk dat je mijn geplaatste foto van mijn grootvader hebt gebruikt.

Vele groeten
Jan
In memoriam mijn opa Gerard : Soldaat 4 Li 1932-33 / 18d veldtocht (23 Li) / KG gemaakt bij Gent / Eind 1944 : vrijwilliger bij 1005e Tpt Coy / Gesneuveld voor België t.g.v. V2 inslag te Hove op 31-1-1945. I will always remember him ....

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 31 dec 2020 14:13

Dag Jan,

Kon ik toch moeilijk laten liggen zo’n prachtfoto met emotionele link naar een gewaardeerd forumlid 🤛

Groeten,
Bram

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 01 jan 2021 21:30

Hallo,

Zopas ontdekt in JMO, 1920, II, p. 2033 (circulaire van 7 oktober 1920)

De lichte mitrailleurs "Maxim" van Duitse origine (de MG 08/15), waarop het Belgisch leger de hand kon leggen, werden al in 1920 omgebouwd naar kaliber 7,65mm, wat dus al vrij snel was. Een eerste lot van 486 omgebouwde lichte mitrailleurs "Mitrailleuse maxim légère 7,65" werden overgedragen aan de 6de Legerdivisie ter vervanging van de F.M. 15 bij de gevechtsgroepen van de infanterie.

Om de drie maand kwam een andere divisie in aanmerking voor een vergelijkbaar lot, in de volgende volgorde: 4de LD, 5de LD, 1ste LD, 3de LD, 2de LD. Deze lichte mitrailleurs werden verdeeld in de gevechtsgroepen van de compagnies (9 per compagnie op vredesvoet). De wapens die nodig waren om de compagnies op oorlogsvoet te brengen, werden verdeeld eens alle compagnies van alle legerdivisies het aantal wapens hadden voor de bewapening van de compagnies volgens hun organieke sterkte op vredesvoet (i.e. 6 regimenten van 3 bataljons).

Tegelijkertijd werden de lebels van de munitieaangevers teruggenomen en vervangen door mausergeweren model 1889.

Als ik het dan goed voor heb, zouden alle F.M. 15 van de gevechtsgroepen dus tegen eind 1921 - begin 1922 overal vervangen zijn door de Mitrailleuse maxim légère in 7,65mm.

Dat zou dan het volgende betekenen voor de foto's die opduiken van de F.M. 15:
- de foto's dateren van tussen november 1918 en eind 1921
- de foto's tonen andere eenheden dan de infanterie
- het gaat telkens om de gevechtsgroep op oorlogsvoet (het leger werd terug op vredesvoet geplaatst in 1926), wat kan verklaren dat een 4de groep getoond wordt van het 11de Linie op de post hierboven waarbij de eerste drie de groepen zijn die organiek voorzien waren op vredesvoet.

Dat werpt ook een ander licht op de ontwikkeling en de verdeling van de F.M. 15-27. Werd dit wapen al lang voor 1927 in gebruik genomen in 7,65mm, wat gebeurde er met deze wapens na 1921? Gingen deze dat terug de depots in om in stock te blijven tot de mobilisatie 1939?

Groeten,
Bram

Bram1940
Mede-Beheerder
Berichten: 1805
Lid geworden op: 29 mei 2011 13:25

Re: DE MACHINEGEWEREN IN DIENST VAN HET BELGISCH LEGER, 1920 – 1940

Bericht door Bram1940 » 01 jan 2021 21:57

Hallo,

Volgens een circulaire van 10 november 1920 (JMO, 1920, II, p. 2120) werd de lader voor 15 patronen in 7,65mm die ontwikkeld was door de M.A.E., dat jaar reeds aangenomen. Deze laders werden in dienst genomen bij:

- de FM-ploegen van de cavalerie-eskadrons van de legerdivisies (840 patronen op 56 laders per ploeg van vier man)
- de FM-ploegen van de cavalerie-eskadrons van de cavaleriedivisie (840 patronen op 56 laders per ploeg van vier man)
- de FM-ploegen van de compagnies karabiniers-wielrijders van de cavaleriedivisie (1.080 patronen op 75 laders per ploeg van vijf man)
- de FM-ploegen van de compagnies wielrijders van de legerdivisies (1.080 patronen op 75 laders per ploeg van vijf man)
- de FM-ploegen van de eskadrons wielrijders van de cavaleriedivisie (1.080 patronen op 75 laders per ploeg van vijf man)

Vermoedelijk ligt hier dan ook het antwoord op mijn vorige vraag. Indien er iemand dit kan weerleggen, verneem ik dat graag. Ook zou er wat verduidelijking moeten komen waarom de FM 15 aangenomen werd als F.M. 15-27, hoewel deze al herkamerd was in 7,65 in 1920. Volgens het laatste boek van het Legermuseum was de ombouw niet rond in november 1918 wegens een gebrek aan middelen, hoewel een ander artikel op dit forum gepost door Pierre het omgekeerde liet verstaan. Indien de ombouw toch rond was, dan was dit nog met de oude half-cirkelvormige Franse lader. Dit kan steek houden aangezien de Amerikanen deze lader ook gebruiken voor hun 30.06-patronen (tot hun grote ontevredenheid). Kwestie van nog het bos door de bomen te zien ...
ABLHistory1.jpg
Groeten,
Bram
Je hebt niet voldoende permissies om de bijlagen van dit bericht te bekijken.

Plaats reactie

Terug naar “Het interbellum - l'entre-deux-guerres”