Wapen- en andere feiten...

Sterke verhalen waar het Belgische leger centraal staat.

Moderators: Exjager, piot1940, Bram1940

charlie
Berichten: 7
Lid geworden op: 23 feb 2013 13:50

Wapen- en andere feiten...

Bericht door charlie » 22 mar 2013 19:30

Ik was wat men noemde een “bijgekomen oproeping”. In de jaren 70 werd de dienstplicht beschouwd als een noodzakelijk kwaad en was je er beter zo snel mogelijk van af. De eenvoudige manier van leven toenertijd kende een zekere structuur in een mensenleven : eerst de school, dan de legerdienst, en daarna werk zoeken en vinden, trouwen, bouwen, kindjes krijgen en tevreden oud worden. Het hoefde niet noodzakelijk exact in die volgorde, maar je ziet het plaatje. Het was toen veel eenvoudiger om je eigen toekomstperspectieven in de hand te hebben dan nu. Dus, hoe sneller je van je legerdienst af was, hoe rapper je verder kon met de rest van je leven.

“Bijgekomen oproeping” zijn was geen uitzonderlijk fenomeen in die tijd. De onvermijdelijke noodzaak om soldaatje te moeten spelen had je dus liever snel achter de rug en dan was het zeker niet abnormaal om, meestal via kennissen, te proberen aan een paar touwtjes te trekken in “Brussel” om zo snel mogelijk opgeroepen te worden. Ik had het geluk dat mijn vader “iemand” kende met voldoende brede ellebogen om dat kleine wonder voor mij te verrichten. Ik studeerde af aan de humaniora in juni 76, deed mee aan tal van “staatsexamens” (een job “aan de staat” was toen het summum van werkzekerheid) en kon op 1 december 1976 aan de slag als “financiebeambte 3de klas” bij de Douane in Brussel. Let wel, dat was een stageperiode. Door middel van de hoger genoemde “elleboogtechniek” kreeg ik op de dag van de onnozele kinderen (!) mijn oproepingsbrief : ik mocht de gelederen der vaderlandse troepen vervoegen op 3 januari 77 in Turnhout.
Ik zie mij daar nog aankomen in het station van Turnhout. Kan het zijn dat we daar met de DTV naar toe moesten ? Dat weet ik niet meer zo goed. Met honderden stapten we af en de militairen die ons stonden op te wachten hadden er de handen vol aan om ons richting kazerne te begeleiden. De grote plaat met de mededeling “hier temt men leeuwen” werd met minachting bekeken; we zouden ze hier wel een poepje laten ruiken, dachten we. Wisten wij veel…..

Bij aankomst had ik gemerkt dat bijna iedereen een document bij had waarop in militair jargon een soort van toewijzing stond van de opleidingseenheid. Ik had dat niet gekregen en meldde dat dan ook aan één van de militairen die ons kwamen afhalen aan het station. Samen met een 3-tal andere “mede-elleboogstoempers” werd ik apart van de rest gehouden en moest ik bij een officier in de kazerne komen. In zijn bureau werd de administratie “gladgestreken” waarbij het in de praktijk erop neerkwam dat onze namen met potlood onder aan de lijst werden bijgeschreven. Dat hield nadien ook in dat, bij naamafroeping, wij altijd de laatste waren. Dat had zo zijn voordelen, merkte ik.

Tijdens de opleiding kwam ik terecht in een toffe groep, waarin alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd waren. We maakten veel lol en er is nooit onenigheid geweest. Na een tijdje algemene opleiding brak eindelijk de dag aan dat we ons wapen kregen. Velen hadden er naar uitgekeken, en nog veel meer hadden er nadien spijt van. Het wapen dat we kregen was een FAL in zijn eenvoudigste uitvoering. Enfin, de anderen kregen er toch eentje, want toen ik, zoals altijd bij zulke evenementen, achter in de rij, mijn opwachting maakte klonk het droogweg : “Ze zijn op.” Dus ik werd soldaat… zonder geweer.

Het had wel zijn voordelen, om te beginnen moest ik dus 4 kilo minder meesleuren dan de rest en in principe moest ik dus ook geen wapenonderhoud doen. Zo zit ik wel niet in elkaar, dus hielp ik regelmatig mijn maten bij het schoonmaken van hun “spuit”. Omdat ik het niet genoeg kon doen had ik er dan ook niet veel ervaring mee. Ik zie dan ook nog steeds de gasbuisstang de volledige lengte van de kamer doorvliegen toen ik voor de eerste keer de gasbuis openvees. Wist ik veel dat daar een “ressort” achter stak… Ik had ook weinig of geen ervaring met alle kunstgrepen die men tijdens het exerceren geacht wordt te doen, nogal logisch. Langs de andere kant was ik al blij dat men mij geen stok of plank in de handen stak om het daarmee te doen. Gelukkig heb ik al die tralala met dat geweer tijdens de rest van mijn term nooit nodig gehad.

Gaan schieten, nog zoiets… Ik moet zeggen dat de instructeurs die ons tijdens het “leren marcheren” ongenadig de grofste beledigingen toegeschreeuwd hadden, bij de effectieve schietinstructies een complete gedaanteverandering ondergingen. Zij werden vriendelijke en toegewijde leraren die ons met zachte hand de eerste schietbeginselen bijbrachten. Misschien vonden zij het niet verstandig om iemand af te brullen die een geladen geweer in de hand had …?

Het aantal keren dat ik moeten schieten heb kan ik op één hand tellen : in Turnhout 1 x op de overdekte schietbaan, 1 x op de open schietbaan (beiden FAL) en 1 x op nachtoefening (FAL, FALO en Vigneron). Daarna in Duitsland 1 x op de open schietbaan ergens langs de kanten van Spich (Vigneron)… en dat was het. De nachtoefening niet meegerekend heb ik dus officiëel 15 patronen verschoten op vastgestelde doelen. Een “Rambo” heb ik me nooit gevoeld en ik denk dat ik meer in het vaderland heb geschoten dan het karton heb geraakt…

Het schieten op de overdekte baan vond ik een belevenis op zich. Er lagen een aantal genummerde banen naast elkaar met een instructeur per schutterspositie. Helemaal achteraan de baan kwamen de “cibels” omhoog en je werd dus verondersteld om 5 “scheuten” richting cibel te geven. Regelmatig werden er nogal verontrustende berichten rondgeschreeuwd : “Baan 1 schiet op baan 3 !!! Stommerik !!! Kijkt uit uw ogen !!!”. We kregen dus 5 patronen en de bedoeling was dat de mensen die de cibels bemanden aan het einde van de baan, na het eerste schot door middel van een stok met een metalen aanwijspunt het inslagpunt aangaven op de cibel, met als bedoeling om zo gegroepeerd mogelijk te schieten. Onnodig te zeggen dat menigeen zijn kans schoon zag op dat moment en vol overgave de resterende 4 patronen in snelvuur richting aanwijsstok pafte. Ik heb er toch een paar weten sneuvelen (aanwijsstokken, dan…).

Tijdens mijn schietbeurt lag op de baan naast mij de lichtste en kleinste jongen van heel onze bende. Hij moet net de minimumlengte behaald hebben en aan 50 kilo geraakte hij zeker niet. Hij bibberde van de schrik tijdens het “aanleggen” en ondanks de rustige stem van zijn instructeur durfde hij de trekker niet over te halen, puur uit angst. Na een tijdje durfde hij dan toch een schot te lossen; de kogel deed 2 meter voor hem een grote stofwolk opwaaien en die jongen schoof los 30 centimeter achteruit door de terugslag. Een tweede schot zat er niet meer in en met de tranen in de ogen werd hij recht geholpen en naar buiten geleid door zijn instructeur. Door de band genomen waren wij een stelletje gevoelloze bullebakken met commentaar op alles en iedereen, maar die jongen is er nooit op aangesproken of mee uitgelachen, zo sterk was de groepsgeest nu ook wel…

De nachtoefening op Tielen Heide vonden we ook wel plezant. De ganse bende werd in 2 gedeeld : de grootste hoop speelden de aanvallers en een klein groepje, waartoe ik ook behoorde, speelden de verdedigers. We werden per 2 in een schuttersput geplaatst, vlak voor een bos. Een aantal schuttersputten lag zo naast elkaar en het was de bedoeling van de aanvallers om te infiltreren en ongemerkt tussen de schuttersputten door in het bos te geraken. In de namiddag hadden wij als verdedigers een stijf uurtje doorgebracht met losse flodders in laders te steken, vraag me niet meer hoeveel laders we hadden, maar mijn vingers zagen blauw op het laatste. Per schuttersput hadden we beschikking over een FAL, een FALO en een Vigneron. Ook kregen we een redelijk aantal “tunderflashes” mee, een soort strijkbommetjes die je kon vergelijken met de “piratenbommetjes” indertijd. Ik denk niet dat die nu nog vrij te koop zijn of ik moest me vergissen. Na het vallen van de duisternis – en die kwam vroeg, want het was januari en putteke winter – namen we onze positie in de schuttersput in en begonnen we onze bibberende wacht. Het duurde niet lang of de eerste infiltranten lieten zich opmerken en het schieten begon. Als je nog nooit zoiets meegemaakt hebt, is het behoorlijk lawaaierig en indrukwekkend. Een paar maten die bij de infiltranten zaten verklaarden dat het een hallucinant tafereel was. Zij konden onze positie bepalen aan de hand van de mondingsvlammen van onze wapens en, zelfs wetende dat het losse flodders waren, was niemand er scheutig op om recht te staan en gewoon door te wandelen. De harde knallen van de tunderflaches droegen ook bij tot het spektakel. Ik heb toen trouwens nog serieus mijn poten verbrand aan de loop van mijn Vigneron, want na een paar honderd schoten stond die praktisch roodgloeiend. Op het moment zelf was het plezant, maar ik moet er niet aan denken dat zoiets zou gebeuren met “echte” ballen…

Mijn laatste wapenfeit speelde zich af in Duitsland, rond de kanten van Spich denk ik. We hadden na aankomst een wapen toegewezen gekregen, een doorleefde Vigneron met redelijk wat sporen van gebruik. Bij de mijne rammelde de loop constant los, want ik kon de spanvijs om hem aan het frame te vijzen nooit sterk genoeg aantrekken. Het wapen bleef mooi in de kelder van ons blok bij de wapenmeester, of hoe heette die functie indertijd. Ik moest het enkel afhalen wanneer ik “wacht-op” was of “chauffeur van wacht”. De rest van de tijd bleef het waar ik het het liefst had : in de kelder bij zijn maatjes…

Evenwel, na de uitreiking moest het worden ingeschoten en daarvoor reden we met de hele bende bleukes in kamions naar een open schietstand tegen Spich (?). Let wel : begin februari en steen- en steenkoud. Het vroor dik onder nul tijdens de dag. Er stonden een paar potkacheltjes opgesteld maar veel zoden brachten die niet aan de dijk, we bibberden uit onze schoenen. En in die staat moesten we dus een 5-tal ballen naar een karton schieten. Die kartons zijn goed uit de strijd gekomen. Niettegenstaande het bevel “om te schieten, schot per schot”, waren er toch een aantal gasten met gehoorproblemen die hun selector op “automatic” draaiden en met een krachtig “rrrrrrrrrrrrrrt” de 5 ballen in één trek naar de horizon joegen. Sergeantje kon daar niet mee lachen….. En natuurlijk was er de obligatoire klojo die de veiligheid achter op de kolf niet ver genoeg indrukte en zich omdraaide met de woorden “’t marcheert ni…..!”. Waar heb ik dat nog gelezen, One-O-five ? In elk geval nog nooit zo rap zoveel volk tegen de grond zien gaan….

Het is in feite normaal dat die dingen gebeurden, niettegenstaande het rigoureuze toezicht van de instructeurs. Ik heb 8 maanden “gediend” en van die 8 maanden heb ik misschien 7 minuten een wapen in mijn handen gehad om effectief te schieten. Wij hadden er gewoon de “handeling” niet van en dan wordt zo’n spuit een gevaarlijk speelgoed natuurlijk. Ik veronderstel dat aan de schietvaardigheden van de jongens in de echte gevechtscompagnies veel meer aandacht besteed werd, maar voor een gewone piot zoals wij was het eerder een noodzakelijk kwaad, we kregen gewoon de gelegenheid niet om er enige interesse voor op te brengen en voor velen was onze kennis nog minder dan oppervlakkig.
Omwille van de algemene veiligheid werd het ons zelfs verboden, wanneer we op wacht stonden, om de lader met 10 patronen op het wapen aan te brengen. Die lader moest in de beenzak van je werkbroek en daar moest die blijven. Ik denk wel dat onze oversten beseften dat onze ervaring met klakkebuizen niet toereikend genoeg was en dat gebeurlijke ongevallen ten allen tijde moesten vermeden worden. In geval we zouden worden aangevallen wanneer we op wacht stonden luidde de theorie dat we 3 maal moesten roepen "halt, of ik schiet !", dan onze lader op ons wapen aanbrengen, dan doorladen en pas dan mochten we schieten, alhoewel een bijkomende instructie luidde dat we eerst moesten wachten tot er op ons geschoten werd.... Jawadde, moeder... Dat was de theorie, dus. Je kan je voorstellen dat je in de praktijk op die manier niet veel in de pap te brokken had... Maar ik begrijp wel dat die regels waren opgesteld voor onze eigen veiligheid, we waren echt té onbekwaam op dat gebied.

Misschien is het maar beter zo, dat we er niet veel verstand van hebben.

Charlie
77/18182

Plaats reactie

Terug naar “Sterke verhalen”